Navigation Menu+

Werkelijkheid en iets wat er (niet) op lijkt

De Shikoku Pelgrimstocht langs de 88 tempels is van oudsher omgeven door vele mythes en legenden. Dat is natuurlijk niet echt verwonderlijk, het is een fenomeen dat we kennen van alle pelgrimstochten in de wereld. Met name het aantal wonderbaarlijke genezingen. Daar kan geen reguliere geneeskunde tegenop.

De mythes en legenden van Shikoku zijn echter net even anders. Het klinkt gek, maar dat komt omdat in Japan de grens de grens tussen werkelijkheid en fantasie niet zo duidelijk is als in het Westen. Er zit niet zoals bij ons een soort ‘harde enter’ tussen. De meeste Japanners in Shikoku zijn zeer bijgelovig en beschouwen de feitelijke werkelijkheid als een chronisch gebrek aan fantasie. Dat zie je ook terug in Japanse films waarin het niet uitzonderlijk is dat mensen over bijzondere krachten beschikken en geesten en demonen heel gewoon zijn.Voor westerlingen is het natuurlijk wel even wennen als ze daar voor het eerst mee geconfronteerd worden.

Zo had een Engelse wetenschapper een discussie met de hoofdmonnik van Anrakuji (tempel 6) over de stichter van de pelgrimstocht, de heilige Kōbō Daishi. Volgens de legende kwam Kūkai (zoals hij door de Japanners liefkozend wordt genoemd) in het jaar 805 terug naar Shikoku en stichtte daar de pelgrimstocht. Wetenschappelijk is echter aangetoond dat Kūkai niets te maken had met de stichting van de pelgrimstocht. De monnik bevestigde dit, erkennende dat dit inderdaad onmogelijk was. Maar tot zijn verbazing vertelde de monnik de volgende dag aan een nieuwe groep pelgrims in de rondleiding door de tempel gewoon weer dat Kūkai de pelgrimstocht in 805 gesticht had.

Waar wij zouden denken dat de monnik een onwaarheid vertelt, ligt dit in de Japanse cultuur veel genuanceerder. Natuurlijk komen de mythes en legenden over Kōbō Daishi de tempels goed uit. Het is immers goede marketing en het trekt veel mensen die genezing zoeken naar de tempels. Maar het is te simpel om het daarmee af te doen. De hele perceptie van waarheid wordt in Japan gewoon veel meer gerelativeerd.

Dat is zoals gezegd voor westerlingen best even wennen. Onze mindset is daar niet op ingericht. En als je er niet op berekend bent ga je er in het begin echt de mist mee in. Zo riepen Melanie en ik ooit de hulp in van een Japanse mede-pelgrim om telefonisch een reservering te maken voor een overnachting in Hotsumisaki-ji (tempel 24).

Hotsumisaki-ji * dit betekent echt nee * slaapzaal voor 2

Toen we hem ’s avonds vroegen of het gelukt was bevestigde hij dit. Bij aankomst in de tempel bleek er echter van enige reservering helaas geen sprake. Het was hem niet gelukt om te reserveren omdat het vol was, maar hij had ons dat (vanuit de schaamtecultuur die Japan zo kenmerkt) niet rechtstreeks durven vertellen. Van een Duitse student die ik later ontmoette op de pelgrimstocht leerde ik dat ik waarschijnlijk aan zijn houding wel had kunnen zien dat hij ja zei, maar nee bedoelde. Japanners hebben 26 manieren om ja te zeggen en 25 daarvan betekenen nee. Dat moet je wel even weten.

Een ramp was het overigens niet. De tempelstaf deed er alles aan om alsnog onderdak voor ons te regelen. Het was hun eer te na om ons de deur te wijzen en we kregen voor onszelf een grote slaapzaal toegewezen. Omdat er met eten geen rekening met ons gehouden was nam de tempelmedewerkster me met de auto mee naar het beneden gelegen dorp, zorgde dat de supermarkt (die wegens zondag gesloten was) voor mij even open ging. Ook gingen we nog even langs haar eigen huis waar ze haar koelkast plunderde voor ons. Daarna werd ik weer netjes naar de tempel teruggebracht. Tja, wat is geluk en wat is ongeluk?