Ik heb mijn pelgrimstocht even onderbroken om Hiroshima te kunnen bezoeken; een langgekoesterde wens. Vanaf Matsuyama in Shikoku was het twee uur met de boot en nog een half uurtje met de tram. Ik kwam vrij laat aan en besloot eerst een hotel te pakken en de volgende dag de atoombomkoepel (Genbaku Domu) te bezoeken. Het is een van de weinige grotere gebouwen die overeind zijn blijven staan na de atoombomaanval op Hiroshima van 6 augustus 1945, ondanks het feit dat het gebouw zich op 160 meter van de explosie bevond. Het overeind blijven wordt toegeschreven aan het feit dat de bom op een hoogte van 580 meter tot ontploffing werd gebracht en het gebouw daardoor ‘in mindere mate’ horizontale drukverschuivingen onderging. 

 

Op de plaats waar de atoombom ontplofte vind je nu het vredespark met het vredesmonument en een museum. In het museum staan vooral de verhalen centraal. Verhalen van de levenden en de doden. En van de levende doden. Ik vond het zeer aangrijpend, hetgeen in groot contrast leek te staan met de daar aanwezige japanners, voor wie de Genbaku Dome gewoon de volgende tramhalte is. Natuurlijk is dat schijn. De atoombom heeft wonden geslagen die nog steeds niet geheeld zijn. De bom heeft er ook voor gezorgd dat de Japanners zich nog steeds als slachtoffer van de 2e Wereldoorlog zien en niet als dader. Vreemd genoeg worden ook de Japanse slachtoffers van de bom (de Hibakusha) gediscrimineerd. Ze hebben op zich veel rechten, maar worden nog wel door hun landgenoten met de nek aangekeken. Iets dat nauwelijks te verklaren valt.

De volgende dag ben ik met de boot ook weer terug gegaan naar Matsuyama, op weg naar tempel 53. Maar opeens loop je dan toch op een heel andere manier. Sneller en langer.  Om de stress eruit te lopen. Een verwerkingsproces 72 jaar na dato. Je voelt je een beetje een sukkel en toch ook weer niet. Ik kan het niet goed uitleggen maar die dag heb ik niets gezegd, omdat het niets toevoegde aan de stilte.

 

 

 

 

 

 

 

AIzaSyCUsTyREqCVmPIrrN3owHUcYN1-YAaqDnY